Automated Author ProfileP.J.L. Wemerman
P.J.L. Wemerman
Current S-Index
Sum of Dataset Indices for all datasets
Average Dataset Index per Dataset
Average Dataset Index per dataset
Total Datasets
Total datasets for this author
Average FAIR Score
Average FAIR Score per dataset
Total Citations
Total citations to the author's datasets
Total Mentions
Total mentions of the author's datasets
S-Index Interpretation
The S-Index (Sharing Index) is a comprehensive metric that represents the cumulative impact of all your datasets. It is calculated as the sum of Dataset Index scores across all your claimed datasets.
What it means:
- A higher S-index indicates greater overall impact of your datasets relative to typical datasets in their fields of research
- The S-Index grows as you add more datasets or as existing datasets gain more citations and mentions
- It provides a single number to track your research data impact over time
Current S-Index: 5.2 (sum of 14 datasets Dataset Index scores)
More information here.
S-Index Over Time
Cumulative Citations Over Time
Cumulative Mentions Over Time
Datasets
<p>Op de locatie aan het Schaepmanplein zijn de randen van minimaal twee boerenerven aangetroffen die omgeven zijn geweest met een brede greppel die watervoerend is geweest. Beide erven zijn mogelijk al in de 12e eeuw, maar zeker in de 13e en eerste helft van de 14e eeuw, in gebruik geweest.</p><p>Het landschap rondom beide erven was begroeid met een open loofbos, voornamelijk berk, hazelaar en eik. Op de hogere zandgronden heeft ook heide gegroeid. De nattere beekdalen waren begroeid met els, wilg en graslanden, die waarschijnlijk begraasd werden door vee.<br>Uit de analyse van de botanische resten wordt duidelijk dat de economie van de beide boerenhoeven in de 13e - 14e eeuw op de locatie Schaepmanplein onder meer bestond uit het verbouwen van rogge en vlas. Bij rogge lijkt sprake van een verbouw van winterrogge. De (relatief arme) zandgronden in de omgeving van Neede waren zeer geschikt voor de verbouw van rogge. Daarnaast speelden gerst en/of tarwe, en mogelijk ook haver een rol in de lokale voedseleconomie in de 14e eeuw.<br>Verder zijn zaden van lijnzaad, hennep en raapzaad aangetroffen waaruit olie kon worden gehaald. Uit de stengels van de vlas en hennep konden bovendien vezels gewonnen worden, die verwerkt konden worden tot bijvoorbeeld touwen en textiel. Door de bewoners werd het dagelijks voedselpatroon aangevuld met fruit, als gewone braam, framboos, gewone vlier en pruim. Op het erf was waarschijnlijk ook een moestuin(tje) aanwezig waarop onder meer peulvruchten als duivenboon en mogelijk ook groenten als pastinaak en postelein werden verbouwd. Dille werd mogelijk gebruikt als keukenkruid.</p><p>De materiële resten geven aan dat men deels zelf gebruiksvoorwerpen heeft vervaardigd en dit voor een deel heeft aangevuld met geïmporteerde goederen. Voor het lokaal gemaakte aardewerk waren de grondstoffen ruim voor handen. De klei kan gedolven zijn op de Needse Berg of in de Berkel. Het materiaal voor de magering bevindt zich in de natuurlijke ondergrond (stuwwalafzettingen). Het geïmporteerde aardewerk bestaat vooral uit steengoed uit het Rijnland. Ook zijn fragmenten gevonden van kogelpotvormen die deels handgevormd en deels gedraaid zijn. Naast het gebruik van aardewerk is ook serviesgoed als houten borden en kommen gebruikt.<br>Het beeld dat ontstaat door de onderzoeken in de wijk de Berg is dat de diverse bewoningszones binnen de wijk (erven) in de loop van de tijd (9e tot 14e eeuw) zich min of meer in (zuid) westelijke richting verplaatsten. Het dal van de Berkel vormde hierbij een logische zuidgrens van de bewoningszone. </p><p>Uit de oriëntatie van de aangetroffen huisplattegronden blijkt dat de bewoningszone parallel ligt aan de Bergweg, waarbinnen de diverse erven zich hebben verplaatst van noordoost naar zuidwest. De archeologische resten zijn aangetroffen binnen een afstand van circa 200 m ten zuiden van de Bergweg . Ten noorden van de Bergweg, heeft nog geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Het is mogelijk dat zich hier nog resten van bewoning bevinden. Dit hogere en drogere deel binnen het landschap kan gebruikt zijn als akkerland.<br>ln het lagere (nattere) deel van het landschap, buiten een afstand van circa 200 meter vanaf de Bergweg, zijn tot nu toe bij archeologisch onderzoek nog geen resten van bewoning aangetroffen uit deze periode. De reden hiervoor is waarschijnlijk dat het landschap, net ten noorden van de Berkel, nat was en daardoor ongeschikt voor bewoning. Dit deel van het landschap kan zijn gebruikt als grasland voor het grazen van het vee.</p>
Authors
- S. Diependaal ;
- P.J.L. Wemerman
<p>Tijdens het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat het plangebied is gelegen op een dekzandrug, waarin oorspronkelijk een podzolgrond tot ontwikkeling is gekomen. Hierop ligt een dun humeus dek dat bestaat uit een Apb- en een Aap-horizont. De top van het natuurlijke bodemprofiel is opgenomen in het humeuze dek. Een restant van de B-horizont is aanwezig, maar is grotendeels verdwenen door bioturbatie en landbewerking. In de proefsleuven zijn een greppel, twee paalkuilen en vier kuilen aangetroffen. Op basis van de kleur, begrenzing van de vulling en het vondstmateriaal zijn deze sporen in de 19e-20e eeuw geplaatst. </p><p>Aan de hand van het aardewerk kan gesteld worden dat het terrein in de loop van de tweede helft van de 19e eeuw als akkerland in gebruik is genomen. Hierbij is aardewerk herhaaldelijk verploegd. Ondanks het geringe aantal vondsten en de daarmee samenhangende beperkte informatie waarde kunnen we de vondsten relateren aan activiteiten op de onderzoekslocatie. Op basis hiervan kunnen we concluderen dat het plangebied vanaf de 19e-20e in gebruik is geweest als akker/bouwland.</p><p>Tijdens het onderzoek is er geen behoudenswaardige vindplaats aangetroffen. Econsultancy adviseert om geen verder onderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.</p>
Authors
- S. Diependaal ;
- P.J.L. Wemerman ;
- G.W.J. Spanjaard
<p>Uit het onderzoek blijkt dat het noordelijke deelgebied is gelegen ter hoogte van de bedding en oever afzettingen van de Erichemse stroomgordel. Deze stroomgordel is afgedekt door kom- en oeverafzettingen die behoren bij de Avezaath stroomgordel. Het zuidelijke deelgebied geeft een vergelijkbaar beeld alleen zijn hier zowel de beddingafzettingen als de oeverafzettingen fijner van aard dan de in de noordelijke deellocatie. Vanwege de relatief fijne aard van deze afzettingen, in combinatie met de beperkte omvang, wordt gedacht dat deze tot een crevasse-systeem behoren. Alleen in het noordelijke deelgebied zijn relevante archeologische resten aangetroffen. In de bedding van de Erichemse stroomgordel is handgevormd (iets verspoeld) aardewerk uit de Midden-IJzertijd tot en met de Vroeg Romeinse tijd (500 v. Chr. - 70 n. Chr.) gevonden.</p><p>Op de noordelijke oeverafzettingen van de stroomgordel van Erichem is een vondstlaag, (spoor 10) met aardewerk, dierlijk bot en metaal aangetroffen. Deze vondsten dateren tussen 40 en 80 n. Chr. De vindplaats, vermoedelijk een nederzettingsterrein, ligt waarschijnlijk ten noorden van het noordelijke deelgebied. Op basis van het uitgevoerde onderzoek valt het nederzettingsterrein niet nader te begrenzen. Wel kan er van uit worden gegaan dat deze aan de noordzijde van de restgeul ligt, op de oeverafzettingen van de Erichem Stroomgordel, en zich in noordelijke richting uitstrekt richting de Erichemseweg. De verbreiding van de oeverafzettingen is onbekend. Wel is bekend dat de beddinggordel de Erichemseweg kruist ter plaatse van het erf met huisnummer 10a. Uitgegaan dient dan ook te worden van de mogelijkheid dat de vindplaats zich tot daar uit strekt, en mogelijk verder noordwaarts. </p><p>De hoge archeologische verwachting wordt bevestigd door de aangetroffen archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van één of meerdere archeologische vindplaats(en) binnen het noordelijke deelgebied. De verwachting voor een vindplaats uit de Middeleeuwen en een vindplaats in het zuidelijke deelgebied is niet bevestigd. Er is aardewerk uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd tijdens de aanleg van het vlak geborgen, waarschijnlijk is dit als mestaardewerk op het terrein verspreid geraakt.</p>
Authors
- S. Diependaal ;
- G.W.J. Spanjaard ;
- P.J.L. Wemerman
<p>De aanleiding voor het hier gerapporteerde onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van het toekomstige gemeentehuis van Leudal. In januari 2009 heeft Synthegra bv een karterend booronderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Biesstraat te Heythuysen. Op basis van dit onderzoek is besloten om twee zones te selecteren voor een vervolgonderzoek. In de zuidelijke zone is er een hoge kans om nederzettingsresten vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen aan te treffen, in het noordelijke deelgebied worden resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd verwacht. De exacte diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend, maar uitgaande van de aanleg van bouwputten voor de bebouwing zal de bodem waarschijnlijk tot in het archeologische niveau worden verstoord. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de CSO Adviesbureau.</p><p>Doelstelling<br>Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is:<br>- om de waarde van het gebied en de bodemopbouw vast te stellen<br>- om op grond van de vastgestelde waarde een selectiebesluit te kunnen nemen, leidend tot vervolgmaatregelen<br>- om waar behoud in situ mogelijk is, gegevens te verzamelen nodig voor het opstellen van de maatregelen tot bescherming en beheer<br>- om gegevens te verzamelen, die nodig zijn voor het opstellen van een Programma van Eisen voor definitief onderzoek (opgravingen en uitvoeringsbegeleiding)</p><p>Gevolgde onderzoeksmethode<br>Het onderzoek binnen de twee deellocaties aan de Biesstraat te Heythuysen is van 22 juni tot en met 25 juni 2009 uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals vastgelegd in het Programma van Eisen (PvE) dat is opgesteld door drs H. Kremer. Omdat binnen het plangebied een gasleiding ligt is in overleg met de gemeente Leudal (Dhr. P. van Doorn) besloten om de twee noordelijke werkputten in noordelijke richting te verschuiven.</p><p>Resultaten<br>Het onderzoek ter plaatse van de Biesstraat in Heythuysen heeft aangetoond dat de ondergrond binnen het plangebied voor het overgrote deel ernstig is aangetast door zandwinning en de aanleg van drainagesystemen. Zeer lokaal is de bodemopbouw intact. Slechts incidenteel zijn grondsporen aangetroffen die mogelijk te relateren zijn aan ontginningen uit de volle middeleeuwen. Dergelijke sporen bevinden zich doorgaans in de periferie van een elders gelegen nederzettingsterrein. Hoewel de conserveringstoestand van de grondsporen redelijk is, zal een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving geen substantiële extra informatie opleveren. Een vervolgonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Wel dient te bevoegde overheid attent te zijn op het voorkomen van archeologische waarden rondom de proefsleuven 2 en 7.</p>
Authors
- T. Deville ;
- P.J.L. Wemerman ;
- S.M. Koeman
<p>De aanleiding voor het hier gerapporteerde onderzoek is de ontwikkeling van 'nieuwe' natuur binnen het natuurgebied de Borkeld. Aanwezige archeologische resten kunnen hierdoor verstoord worden of komen hierdoor bloot te liggen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Dienst Landelijk Gebied, regio Oost. Het bureauonderzoek heeft uitgewezen dat de deelgebieden in een zeer rijk archeologisch gebied liggen. Er zijn diverse vindplaatsen uit de prehistorie bekend. In de deelgebieden met een intact bodemprofiel is de kans op het aantreffen van archeologische resten uit de prehistorie middel hoog tot hoog is. Deze resten kunnen op het maaiveld of hier direct onder voorkomen. Door de geringe diepteligging van de archeologische resten zijn deze zeer kwetsbaar voor bodemingrepen.</p><p>Doelstelling<br>Het doel van deze begeleiding volgens protocol opgraven is het documenteren van eventueel aanwezige archeologische waarden en vervolgens het vaststellen van de inhoudelijke en fysieke kwaliteit van deze waarden (aard, ouderdom, omvang, gaafheid en conservering), zodat onze kennis van het verleden kan worden aangevuld. Met behulp van de verkregen informatie wordt getracht de onderzoeksvragen te beantwoorden.</p><p>Gevolgde onderzoeksmethode<br>Het onderzoek op de Borkeld te Markelo is van 14-9-2009 tot en met 22-3-2010 uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals vastgelegd in het Programma van Eisen (PvE) dat is opgesteld door drs. N. Huisman. Dit PvE is namens gemeente Hof van Twente getoetst en goedgekeurd door drs. S. Wentink. Tijdens de begeleiding was er geen reden om van de hierin beschreven onderzoeksmethodiek af te wijken. In totaal zijn zeven deelgebieden begeleid onder het protocol opgraven. Hierbij is de bouwvoor machinaal verwijderd tot in de C-horizont. In de meeste gevallen betrof dit 20 tot 30 cm onder maaiveld. Hierna is het aangelegde vlak systematisch belopen en gecontroleerd op de aanwezigheid van archeologische resten.</p><p>Resultaten<br>Tijdens de begeleiding zijn alleen in deelgebied 6 en 7 archeologische resten aangetroffen. De meeste archeologische sporen bevinden zich in deelgebied 7.<br>De resten bestaan uit resten van een mesolithische vuursteensite, drie haardkuilen uit het laat mesolithicum/vroeg neolithicum, een twee-fasige opslagkuil of haardkuil uit de overgang van de midden bronstijd-B naar de midden bronstijd-A, een opslagkuil uit de overgang van de midden bronstijd-B naar de late bronstijd, drie opslagkuilen uit de late bronstijd en paalkuilen uit de midden bronstijd tot late bronstijd/vroege ijzertijd.<br>Uit de paalsporen kunnen in totaal vier structuren gereconstrueerd worden. Het gaat hierbij om een mogelijke schuur/boerderij (structuur 1) uit de late bronstijd, een boerderij (structuur 2) uit de midden bronstijd en twee vierpalige spiekers (structuur 3 en 4) uit de midden of late bronstijd.</p>
Authors
- P.J.L. Wemerman
<p>De aanleiding voor het hier gerapporteerde onderzoek is een bestemmingsplanwijziging voor het zuiddeel van het Marktplein. Ter plaatse zal nieuwbouw plaatsvinden. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de firma Rots Bouw planontwikkeling te Aalten.</p><p>Doelstelling<br>Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting (zie hoofdstuk 2), die gebaseerd is op het bureau- en booronderzoek. Dit omvat het vaststellen van de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.<br>Het doel van het onderzoek zoals geformuleerd in het PvE is het vast stellen of er zich nog intacte archeologische resten in de bodem bevinden en wat de inhoudelijke en fysieke kwaliteit (aard, ouderdom, omvang, gaafheid en conservering) daarvan is.</p><p>Gevolgde onderzoeksmethode<br>Het onderzoek op het zuiddeel van het Marktplein te Neede is op 23 en 29 maart 2010 uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals vastgelegd in het Programma van Eisen (PvE) dat is opgesteld door drs. M.Tump. Tijdens het veldonderzoek was er geen reden om van de hierin beschreven onderzoeksmethodiek af te wijken. Op 23 maart zijn in totaal, overeenkomstig het PvE, twee proefsleuven van 4 x 15 m onderzocht: één ten westen van het van het gesloopte postkantoor en één ten oosten daarvan. Per proefsleuf is één profielkolom aangelegd en gedocumenteerd.<br>Op 29 maart is op de locatie van het voormalige postkantoor op het Marktplein te Neede een archeologische waarneming gedaan in verband met de verwijdering van de funderingen. Op het moment van de waarneming waren de funderingen verwijderd. In de noordelijke helft van de slooplocatie was de ongeroerde natuurlijke ondergrond (C-horizont) zichtbaar op ca. 1 m onder straatniveau. In de zuidelijke helft was deze afgedekt met enkele decimeters nieuw opgebrachte grond. Ten oosten en ten zuiden van de locatie van het postkantoor was de bovengrond verwijderd tot ca. 0,5 m onder straatniveau.</p><p>Resultaten<br>Tijdens het proefsleuvenonderzoek op 23 maart 2010 is vastgesteld dat in de sleuf ten westen van het postkantoor (werkput 2) tot ca. 1 m/1,10 m onder straatniveau een humeus dek aanwezig is met vondstmateriaal en afvalkuilen uit (het tweede kwart? van) de 20e eeuw. Onder dit humeuze dek zijn restanten van greppels of kuilen uit de Nieuwe Tijd aanwezig. In de sleuf ten oosten van het postkantoor (werkput 1) is een intacte stratigrafie aangetroffen tot 1 m onder straatniveau waarin een plaggendek aanwezig is. Onder dit plaggendek is een restant van een oudere akkerlaag aanwezig. Hierin zijn diverse fragmenten handgevormd aardewerk aangetroffen uit de Late IJzertijd of Vroeg-Romeinse Tijd. In het aangelegde vlak zijn geen antropogene sporen aangetroffen.</p><p>Op 29 maart 2010 is door Synthegra bv in opdracht van Rotsbouw planontwikkeling bv een archeologische waarneming gedaan op de locatie van het voormalige postkantoor op het Marktplein te Neede in verband met de verwijdering van de funderingen. De waargenomen C-horizont op de slooplocatie vertoonde in kleur en bodemverschijnselen overeenkomst met die in de westelijke proefsleuf (werkput 2). In deze C-horizont zijn geen sporen aangetroffen. In de oostelijke helft van de slooplocatie en ten oosten is een intact plaggendek waargenomen.<br>Op basis van de resultaten wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen.</p>
Authors
- P.J.L. Wemerman ;
- T.A. Spitzers
<p>De aanleiding voor het hier gerapporteerde onderzoek is de planologische ontwikkeling van de bouwlocatie ter plaatse. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Olst-Wijhe. Tijdens het vooronderzoek is vastgesteld dat vrijwel overal een intact bodemprofiel aanwezig is en daarom resten vanaf het paleolithicum tot de nieuwe tijd binnen het plangebied kunnen worden verwacht.</p><p>Doelstelling<br>Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting (zie hoofdstuk 2), die gebaseerd is op het bureau- en booronderzoek. Dit omvat het vaststellen van de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.</p><p>Gevolgde onderzoeksmethode<br>Het onderzoek aan de Scholtensweg 8 te Wesepe is op 10-05-2010 uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals vastgelegd in het Programma van Eisen (PvE) dat is opgesteld door drs. J.A.M. Oude Rengerink. Tijdens het veldonderzoek is er geen reden geweest om van de hierin beschreven onderzoeksmethodiek af te wijken. In totaal zijn er 13 proefsleuven gegraven waarin 1 vlak is aangelegd/gedocumenteerd. In iedere proefsleuf is één profielstaat aangelegd/gedocumenteerd.</p><p>Resultaten<br>Tijdens het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat zich binnen het onderzoeksgebied, behalve de zuidwestzijde, een intacte bodemopbouw bevindt. Hieronder zijn in enkele proefsleuven sporen in de vorm van greppels aangetroffen. Deze greppels zijn ouder dan de ontwikkeling van het plaggendek ter plaatse. Tijdens de aanleg van het vlak en in de sporen is geen vondstmateriaal aangetroffen.<br>Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen, in de vorm van sporen en vondstmateriaal, dat zich ter plaatse van het plangebied archeologische (nederzettings)resten bevinden.<br>Op grond van deze resultaten wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen.</p>
Authors
- P.J.L. Wemerman
<p>Inleiding<br>In opdracht van Prowonen is op 26 en 27 januari 2009 binnen het plangebied aan de Smidsstraat te Vorden een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd door Synthegra bv.<br>De reden van dit inventariserend onderzoek is de herinrichting van het plangebied.<br>Het inventariserend onderzoek heeft aangetoond dat er zich binnen het onderzochte deel van het plangebied resten van archeologische waarde bevinden. Het betreft hier bewoningsresten in de vorm van paalkuilen. Aan de hand van het aangetroffen vondstmateriaal kunnen de archeologische bewoningsresten gedateerd worden in de late bronstijd of ijzertijd (800 v. Chr. - 50 n. Chr.).</p><p>Doelstelling<br>Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is het inventariseren en begrenzen van de gaafheid en conservering van eventuele vindplaatsen en archeologische resten mogelijk op het terrein aanwezig.</p><p>Gevolgde onderzoeksmethode<br>Het onderzoek is uitgevoerd volgens de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals vastgelegd in het hiervoor opgestelde Programma van Eisen (PvE) opgesteld door drs.N.T.D.Eeltink, d.d. 16-06-2008.<br>Tijdens het veldonderzoek was er geen reden om van de hierin beschreven onderzoeksmethodiek af te wijken.<br>In totaal zijn er 4 werkputten (proefsleuven) gegraven van 30 meter lengte en 4 meter breedte. Het totaal onderzochte oppervlak bedroeg 480 m2. In de werkputten is één vlak is aangelegd/gedocumenteerd. Per werkput zijn profielkolommen en/of gehele lengteprofielen aangelegd. In werkput 1 was weinig verschil in bodemopbouw waar te nemen, hierom is volstaan met zes profielkolommen van 1 meter breed. Ook in werkput 4 is volstaan met drie profielkolommen. In werkput 2 is naast één profielkolom ook een lengteprofiel van 17 meter aangelegd vanwege de aanwezigheid van een oude akkerlaag onder het plaggendek. In werkput 3 is een lengteprofiel van 28 meter aangelegd vanwege de aanwezigheid van dezelfde oudere akkerlaag.</p><p>Resultaten<br>Het inventariserend onderzoek heeft aangetoond dat er zich binnen het onderzochte deel van het plangebied resten van archeologische waarde bevinden. Het betreft hier bewoningsresten in de vorm van paalkuilen.<br>De paalkuilen maken waarschijnlijk deel uit van verschillende structuren mogelijk behorend bij een nederzetting of geïsoleerd erf.<br>Aan de hand van het aangetroffen vondstmateriaal kunnen de archeologische bewoningsresten gedateerd worden in de late bronstijd of ijzertijd (800 v. Chr. - 50 n. Chr.).<br>De aangetroffen archeologische resten zijn behoudenswaardig. Op grond van deze resultaten wordt een vervolgonderzoek aanbevolen.</p>
Authors
- P.J.L. Wemerman ;
- S.M. Koeman
<p>De aanleiding voor het hier gerapporteerde onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van nieuwbouw. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Van der Looy Projectontwikkeling bv. Op basis van het vooronderzoek worden resten verwacht van grachten en perifere verschijnselen van de middeleeuwse stad Nieuwstadt en mogelijk van huis Witham.</p><p>Doelstelling<br>Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting (zie hoofdstuk 2), die gebaseerd is op het bureauonderzoek, veldonderzoek door middel van karterende boringen en geofysisch onderzoek. Dit omvat het vaststellen van de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het resultaat van het uit te voeren IVO-P is een rapport met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies aan de hand waarvan een selectiebesluit kan worden genomen.</p><p>Gevolgde onderzoeksmethode<br>Het onderzoek aan de Elsenewal te Nieuwstadt is van 9-2-2009 tot en met 17-2-2009 uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals vastgelegd in het Programma van Eisen (PvE) dat is opgesteld door drs. N.T.D. Eeltink. Tijdens het veldonderzoek was er geen reden om van de hierin beschreven onderzoeksmethodiek af te wijken. In totaal zijn er 6 proefsleuven gegraven waarin één vlak is aangelegd en gedocumenteerd. Alleen in werkput 3 is in het zuidwestdeel een extra tweede vlak aangelegd. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in de werkputten kolomopnames van de profielwanden gedocumenteerd. Van de werkputten 1 t/m 4 zijn profielkolommen van de zuidoostzijde gedocumenteerd, waarbij de kolom ter hoogte van de grachten over de gehele breedte van de grachten is genomen. In werkput 5 zijn de kolommen aan de zuidwestzijde gedocumenteerd en in werkput 6 aan de noordzijde.</p><p>Resultaten<br>Tijdens het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat overal op het terrein zich sporen bevinden in de vorm van kuilen, paalsporen, enkele wand- of standgreppeltjes en enkele greppeltjes met andere functie (ontwatering?). Daarnaast is een tweetal grachten en een natuurlijke waterloop, aangetroffen. De meeste sporen zijn in de tweede helft van de 13e of eerste helft van de 14e eeuw te dateren. Er is hiernaast aardewerk aangetroffen uit de 12e eeuw, wat wijst op activiteiten in deze periode op of nabij het plangebied. Er zijn geen aanwijzingen binnen het plangebied aangetroffen die wijzen op activiteiten na de 14e eeuw.<br>De aangetroffen archeologische resten zijn behoudenswaardig. Er wordt geadviseerd op de archeologische resten in situ te behouden. Indien behoud in situ niet mogelijk is, wordt aanbevolen om de vindplaats doormiddel van een opgraving ex situ te behouden.</p>
Authors
- S.M. Koeman ;
- I.H.J. Hesseling ;
- P.J.L. Wemerman
<p>De aanleiding voor het hier gerapporteerde onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van appartementencomplexen. Op beide planlocaties zullen ondergrondse parkeergarages aangelegd worden. De exacte diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend, maar uitgaande van de aanleg van bouwputten voor de bebouwing zal de bodem waarschijnlijk tot in het archeologische niveau worden verstoord. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Servatius Ontwikkeling. Bij het vooronderzoek is vastgesteld dat er een hoge kans is op het aantreffen van resten vanaf het paleolithicum tot de nieuwe tijd binnen het plangebied.</p><p>Doelstelling<br>Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is:<br>• om de waarde van het gebied en de bodemopbouw vast te stellen.<br>• om op grond van de vastgestelde waarde een selectiebesluit te kunnen nemen, leidend tot vervolgmaatregelen.<br>• om waar behoud in situ mogelijk is, gegevens te verzamelen nodig voor het opstellen van de maatregelen tot bescherming en beheer.<br>• om gegevens te verzamelen, die nodig zijn voor het opstellen van een Programma van Eisen voor definitief onderzoek (opgravingen en uitvoeringsbegeleiding).</p><p>Gevolgde onderzoeksmethode<br>Het onderzoek binnen de twee deellocaties Castermans I en II aan de Pletzerstraat te Maastricht is op 30 en 31 maart 2009 uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals vastgelegd in het Programma van Eisen (PvE) dat is opgesteld door mevrouw A. Brakman. Door de aanwezigheid van stelconplaten en beperkte ruimte voor het wegdraaien van de stort is binnen Castermans I slechts een deel van de kruissleuf aangelegd. Daarvoor in de plaats zijn extra coupes gezet binnen Castermans II. In totaal zijn er twee kruissleuven gegraven, waarin één vlak is aangelegd en gedocumenteerd. Daarnaast is in elke kruissleuf een kijkgat aangelegd tot in de natuurlijke ondergrond om de bodem opbouw te kunnen vaststellen. Tijdens het onderzoek zijn bij Castermans I het noordprofiel van werkput 1 en het westprofiel van werkput 2 gedocumenteerd. Bij Castermans II zijn de noordwestelijk en noordoostelijke profielen gedocumenteerd.</p><p>Resultaten<br>Tijdens het proefsleuvenonderzoek is op de locatie van Castermans I slechts één antropogeen spoor aangetroffen. Het is niet uit te sluiten dat zich tussen het onderzochte terrein en de Pletzerstraat wel behoudenswaardige archeologische resten bevinden. Op grond hiervan wordt binnen dit deelgebied vervolgonderzoek aanbevolen.<br>Het onderzoek binnen Castermans II toont aan dat hier bewoningssporen uit de 12e tot 14e eeuw verwacht kunnen worden. De aangetroffen archeologische resten zijn behoudenswaardig. Er wordt geadviseerd op de archeologische resten in situ te behouden. Indien behoud in situ niet mogelijk is, wordt aanbevolen om de vindplaats doormiddel van een opgraving ex situ te behouden.</p>
Authors
- P.J.L. Wemerman ;
- E.A. Schorn ;
- I. Hesseling