Automated Author ProfileA. Spoelstra
Oranjewoud BV
A. Spoelstra
Current S-Index
Sum of Dataset Indices for all datasets
Average Dataset Index per Dataset
Average Dataset Index per dataset
Total Datasets
Total datasets for this author
Average FAIR Score
Average FAIR Score per dataset
Total Citations
Total citations to the author's datasets
Total Mentions
Total mentions of the author's datasets
S-Index Interpretation
The S-Index (Sharing Index) is a comprehensive metric that represents the cumulative impact of all your datasets. It is calculated as the sum of Dataset Index scores across all your claimed datasets.
What it means:
- A higher S-index indicates greater overall impact of your datasets relative to typical datasets in their fields of research
- The S-Index grows as you add more datasets or as existing datasets gain more citations and mentions
- It provides a single number to track your research data impact over time
Current S-Index: 33.6 (sum of 46 datasets Dataset Index scores)
More information here.
S-Index Over Time
Cumulative Citations Over Time
Cumulative Mentions Over Time
Datasets
<p>In februari 2009 is in opdracht van Dienst Landelijk Gebied door Ingenieursbureau Oranjewoud BV een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het gebied "Saasveld-Gammelke" in de gemeenten Hengelo, Borne, Dinkelland en Oldenzaal (Overijssel). De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de toekomstige herinrichting van het gebied. In het gebied zullen een viertal beken worden geherdimensioneerd en wordt een tweetal overlaten ingericht. Het betreft de Deurningerbeek, de Lemselerbeek, de Saasvelderbeek en de Gammelkerbeek (zie afbeelding 1). Doel van onderhavig bureauonderzoek is het formuleren van een gespecificeerde archeologische verwachting voor de plangebieden en het formuleren van aanbevelingen voor de wijze waarop met eventueel aanwezige archeologische waarden dient te worden omgegaan. Aangezien van plangebied Gammelkerbeek de nieuwe beekdimensie al vast staat en van de andere beken nog niet, is voor Gammelkerbeek ook reeds een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat het plangebied Gammelkerbeek in het Twentse zandgebied ligt, ten westen van de hoge zandrug waarop Oldenzaal is aangelegd. Binnen het onderzoeksgebied komen oude beekdalen of restgeulen voor waar op enkele plaatsen veenvorming heeft plaatsgevonden. Op de plaats waar zo'n restgeul langs een plaggendek loopt ligt een mogelijke voorde waar in de 19e eeuw een kruispunt van wegen heeft gelegen. Binnen het onderzoeksgebied liggen een drietal AMK-terreinen en zijn waarnemingen gedaan van neolithische nederzettingen en grafheuvels uit de Bronstijd. Mogelijk liggen er in de omgeving nog meer van deze fenomenen. Langs de overige beken zijn op basis van het historisch kaartmateriaal in combinatie met de AHN eveneens diverse locaties aangeduid waar zich eveneens oude overgangen, voorden of bruggen kunnen bevinden. Tijdens het inventariserend archeologisch onderzoek (verkennend booronderzoek) in het plangebied Gammelkerbeek is de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem vastgesteld. Tijdens het onderzoek zijn 130 boringen gezet. De bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een (dikke) antropogene laag op dekzand met daartussen beekafzettingen, wat wijst op hogere en drogere delen in het dekzandlandschap met nabijheid van water die vermoedelijk in trek zijn geweest voor bewoning of tijdelijk verblijf. Er zijn hierbij geen archeologische indicatoren aangetroffen, waarmee echter de afwezigheid van archeologische waarden in het gebied niet is vastgesteld. De omvang van de dikke antropogene lagen, de beekdalbodems en de verstoringen zijn in onderhavig onderzoek bepaald. Het advies luidt om gezien de redelijk tot goede intactheid van het bodemprofiel en de verhoudingsgewijs geringe omvang van diepere bodemingrepen over te gaan tot archeologische begeleiding van bodemingrepen dieper dan de bouwvoor (0,30 m -mv)</p>
Authors
- G. Sophie ;
- A. Spoelstra ;
- I.N. Kaptein
<p>In opdracht van Staatbosbeheer Regio Oost is door Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. in mei 2010 een bureauonderzoek uitgevoerd op een plangebied in de gemeente Lelystad. Het betreft het zogenaamde Oostvaardersveld. In september 2010 is vervolgens een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd op de locatie van een Natuuractiviteitencentrum (vanaf hier afgekort tot NAC), met als doel het toetsen van het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek, het bepalen van de bodemopbouw en kwaliteit (gaafheid), het bepalen van de aard en intactheid van de Pleistocene dekzandondergrond en het bepalen van de aanwezigheid van archeologische waarden. Op basis van het bureauonderzoek werd rekening gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden in met name de top van het Pleistocene dekzand, als hier sprake zou zijn van een opduiking en intact bodeprofiel. Uit het veldonderzoek is gebleken dat het dekzand zich op vrij grote diepte bevindt, de top hiervan is geërodeerd en dat er geen sprake is van een podzolprofiel. Daarnaast kan gesteld worden dat er geen dekzandopduiking is aangetroffen. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat in tegenstelling tot de verwachtingen, de kans op de aanwezigheid van (intacte) archeologische waarden laag kan worden ingeschat. Bovendien zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen die op een vindplaats kunnen duiden. Selectieadvies Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt de kans op de aanwezigheid van (intacte) archeologische waarden laag ingeschat en is nader archeologisch onderzoek niet nodig. Aanbevolen wordt om het plangebied voor wat betreft het aspect archeologie vrij te geven, en wel om de volgende redenen: 1. De dekzandondergrond bevindt zich op een diepte van meer dan 2,85 m - mv en zal naar verwachting niet door de geplande bodemverstorende werkzaamheden worden bedreigd (heien zal weinig verstoring veroorzaken); 2. Er is geen sprake van een dekzandopduiking; 3. Er is geen sprake van een bodemprofiel in dit dekzand; 4. De top van het Pleistocene dekzand is geërodeerd. De implementatie van de bovenstaande aanbeveling is afhankelijk van het oordeel van het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Lelystad (in samenwerking met de provincie Flevoland). Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 53 van de Monumentenwet 1988 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: ARCHIS-meldpunt, telefoon 033-422 7682. Zowel het bureauonderzoek als het veldonderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.1.</p>
Authors
- P. Teekens ;
- A. Spoelstra
<p>In opdracht van de Stichtse Rijnlanden is door Advies- en Ingenieursbureau Oranjewoud BV een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van een nieuwe wandel- en onderhoudspad langs de Kromme Rijn tussen Odijk en Werkhoven. Het plangebied kent in de huidige situatie een agrarisch grondgebruik. De aanleg van het pad kan eventueel aanwezige waarden in de ondergrond aantasten. Op basis van het bureauonderzoek werd geconcludeerd dat het gebied een hoge archeologische verwachting heeft op het aantreffen van sporen uit de periode van de IJzertijd, de Romeinse tijd en de middeleeuwen. Eventuele resten uit oudere perioden worden niet uitgesloten. Het booronderzoek heeft aangetoond dat het plangebied zich in een verland deel van de stroomgeul (riviervlakte) van de Kromme Rijn bevindt. Meer in westelijke richting bevindt zich de oude hoge oeverwal. De ligging van het gebied zal, gezien de hoge grondwaterstanden, in het verleden niet bijzonder aantrekkelijk zijn geweest voor bewoning. Hiervoor zal men liever de nabij gelegen hogere delen meer ten het westen van het gebied hebben geselecteerd. Op basis van de resultaten van het booronderzoek, kan worden geconcludeerd dat de kans dat er zich binnen het onderzochte deel van het geplande tracé nederzettingsresten bevinden nihil is. Door de roering van de rivier zijn daarnaast ook geen restanten te verwachten van activiteiten die verband houden met gebruik van de rivier vanaf de oeverwal. Aanbevelingen voor vervolgonderzoek -Archeologisch vervolgonderzoek wordt voor het onderzochte deel van het tracé niet noodzakelijk geacht. Tevens geldt dat wanneer bij iedere uitvoering onverhoopt grondsporen en/of vondsten worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de provinciaal archeoloog.</p>
Authors
- M. Marinelli ;
- A. Spoelstra
<p>In maart en april 2009 heeft Advies- en Ingenieursbureau Oranjewoud BV in opdracht van de Hervormde Gemeente 'De Vuursche' te Lage Vuursche (gemeente Baarn) een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen uitgevoerd. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de toekomstige herinrichting van het gebied. De bestaande begraafplaats zal worden uitgebreid in zuidoostelijke richting. Hiertoe is door middel van ruil een perceel verkregen die oorspronkelijk bij het landgoed Drakensteyn hoorde. Het perceel heeft nu de bestemming bos. Het betreft echter een zogenaamde dubbelbestemming, waarbij het terrein mede bestemd is voor het beschermen en veiligstellen van archeologische waarden. Het plangebied is op dit moment nog begroeid met bos. Het zal in de (nabije) toekomst bij de begraafplaats worden getrokken en worden gebruikt voor de aanleg van graven. Omdat de gemeente momenteel bezig is het bestemmingsplan te herzien, heeft opdrachtgever besloten nu reeds de bestemming van het plangebied hierin mee te nemen. Het plangebied valt niet binnen het vrijstellingskader van de provincie Utrecht. Het plangebied is weliswaar kleiner dan 2500 m2, maar deze ondergrens geldt niet wanneer het plangebied binnen (100 m van) een terrein van archeologische waarde is gelegen. Dat laatste is hier het geval. Gezien de geringe omvang van het plangebied, het feit dat het ligt in de randzone/periferie van de oude dorpskern, de mogelijke verstoring van het gebied bij de Middeleeuwse ontginning of latere aanleg van het landgoed en vanwege het feit dat het bos voorlopig nog niet wordt gerooid, is besloten een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, karterende fase, uit te voeren (i.p.v. sleuvenonderzoek). Bij het vervolgens uitgevoerde booronderzoek (6 boringen) is in elke boringen een matig humeuze bovenlaag aangeboord (25 tot 85 cm dik). In boring 1 en 2 is onder deze laag een geroerde (vlekkerig) laag aangetroffen, resp. 80 en 40 cm dik. Onder deze laag en in de overige boringen onder de humeuze bovenlaag ligt het uitgangsmateriaal: matig grof, zwak grindhoudend zand. In de boringen 2, 3 en 6 betreft het de C-horizont. In boring 5 is nog sprake van (het restant van) een B-horizont. De humeuze bovenlaag kan geïnterpreteerd worden als een opgebracht plaggendek. De geroerde laag in boring 1 en 2 wijst mogelijk op een eerdere ophoging/nivellering van dit deel van het terrein, maar het is ook mogelijk dat het samenhangt met een eerdere (onverharde) toegangsweg naar Drakensteyn (zie paragraaf 2.1.4). Het grovere uitgangsmateriaal kan geïnterpreteerd worden als de top van de stuwwal(flank). In dit uitgangsmateriaal heeft zich een podzolbodem kunnen vormen, waarvan in elk geval de B-horizont in boring 5 nog een restant vormt. Met name gezien het karterende karakter van het onderzoek en het feit dat hierbij, ondanks het dichte boorgrid, geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen, wordt geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.</p>
Authors
- I. Vossen ;
- A. Spoelstra
<p>In de periode oktober 2007 is in opdracht van de gemeente Nederweert door Ingenieursbureau Oranjewoud BV een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd ten behoeve van het ontwikkelen van woningbouw in het plangebied 'Molenpad-Vlut' te Ospel, gemeente Nederweert (Limburg). Aanleiding tot het uitvoeren van het archeologisch vooronderzoek is het voornemen het bestemmingsplan ten behoeve van woningbouw te wijzigen. Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat de specifieke archeologische verwachting sterk samenhangt met de geomorfologische en bodemkundige situatie. Dit gebied kent een lange, continue bewoningsgeschiedenis vanaf het laat-Paleolithicum. Binnen het plangebied en in de omgeving bevinden zich diverse archeologische waarnemingen. In het plangebied worden zowel resten van mobiele bewoning uit de Steentijd als permanente nederzettingen vanaf het Neolithicum verwacht. Daarnaast kunnen grafmonumenten en urnenvelden worden aangetroffen. De mate van verstoring in het plangebied is evenwel niet bekend: mogelijk zijn aanzienlijke delen van het plangebied verstoord als gevolg van eerdere saneringen en agrarische activiteit. Teneinde de bovenstaande specifieke archeologische verwachting te toetsen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het doel van een verkennend booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachten en het onderscheiden van kansrijke en kansarme zones. Hiertoe zijn circa 5 boringen per hectare verricht. De boringen zijn bij benadering gezet in een grid van 40 x 50 m. In totaal zijn 36 boringen uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen, maar dat is geen deel van de vraagstelling bij verkennend onderzoek. De bodemopbouw in het plangebied is echter nog zodanig intact dat de aanwezigheid van archeologische sporen niet kan worden uitgesloten. Dit mede op basis van reeds in Nederweert uitgevoerd onderzoek in vergelijkbare geomorfologische en bodemkundige omstandigheden. Het advies luidt dan ook om het plangebied middels proefsleuven te onderzoeken.</p>
Authors
- de Rengerink, Oude ;
- A. Spoelstra ;
- G. Sophie
<p>In november 2007 is in opdracht van Verzinkerij Van Aert B.V. door Ingenieursbureau Oranjewoud BV een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op het terrein van Verzinkerij Aert te Nederweert, gemeente Nederweert (Limburg). De omvang van het plangebied bedraagt 1 ha. Aanleiding tot het uitvoeren van het archeologisch vooronderzoek is de toekomstige uitbreiding van het bestaande terrein waarop een nieuwe hal zal worden gerealiseerd. Op basis van het bureauonderzoek kan worden geconcludeerd dat de specifieke archeologische verwachting sterk samenhangt met de geomorfologische en bodemkundige situatie. Het plangebied bevindt zich in op de oostelijke flank van de Peelhorst. Dit gebied kent een lange, continue bewoningsgeschiedenis vanaf het midden- Paleolithicum. In het plangebied kunnen zowel resten van mobiele bewoning uit de periode midden-Paleolithicum tot en met het Mesolithicum als van permanente nederzettingen vanaf het Neolithicum worden verwacht. Daarnaast kunnen grafmonumenten en urnenvelden worden aangetroffen, alsmede votiefdepots. In het plangebied komen hoge zwarte enkeerdgronden voor, waarvan het plaggendek sinds de vroege middeleeuwen is opgebracht. Eventueel aanwezige oudere archeologische sporen en resten zijn hieronder waarschijnlijk goed bewaard gebleven. De bovengrond is waarschijnlijk enigszins verstoord als gevolg van eerdere saneringen en agrarische activiteiten. Op basis van deze bevindingen wordt de kans dat er zich in het plangebied intacte vindplaatsen bevinden hoog ingeschat. Teneinde bovenstaande verwachting te toetsen, is een karterend booronderzoek uitgevoerd. Het doel van een karterend booronderzoek is het vaststellen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen en de aard, omvang, datering en conservering ervan. Hiertoe zijn conform de richtlijnen van de provincie Limburg en de Leidraad Karterend Booronderzoek (SIKB) 20 boringen per hectare gezet. De in totaal 20 boringen zijn uitgevoerd in een grid van 20 x 25 m Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk tot goed intact bodemprofiel. Daarbij valt de aanwezigheid van een archeologische vindplaats niet uit te sluiten. De bouwplannen zijn zodanig dat slechts funderingsputjes voor poeren, dan wel een funderingssleuf daadwerkelijke bodemingrepen zullen zijn. De vloer van de hal komt op het huidige maaiveld. Eventueel aanwezige archeologische waarden blijven daarmee bijna volledig in situ bewaard. Bij uitvoering van deze bouwplannen is hierdoor vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Mocht de bouw over een groter oppervlak dan de funderingsputjes leiden tot een bodemingreep dieper dan de bouwvoor (0,3 m- mv), dan luidt de aanbeveling om alsnog voorafgaand aan de bouw waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren.</p>
Authors
- A. Spoelstra ;
- G. Sophie
<p>In de periode juni/juli 2008 is in opdracht van de Segment Groep door Ingenieursbureau Oranjewoud BV een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd aan de Panoven 69-85 te IJsselstein, gemeente IJsselstein (Utrecht). Aanleiding tot het uitvoeren van het archeologisch vooronderzoek is de toekomstige bestemmingsplanwijziging van het betreffende terrein: ter plaatse zal de bestaande bebouwing worden gesloopt. Vervolgens zal er een 15-tal nieuwe woningen worden gebouwd. Het plangebied bestaat uit een terrein met een oppervlakte van 0,5 ha. Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd het plangebied ligt op de stroomrug van de Hollandse IJssel. Dit gebied is vanaf de middeleeuwen voornamelijk in gebruik als agrarisch gebied. Het gebied kent een middelhoge verwachting ten aanzien van de periode middeleeuwen - Nieuwe Tijd. Er worden vooral resten van huisplaatsen en agrarische activiteit verwacht. Hiernaast bleek dat het plangebied grenst aan een zone met een ouder stroomrugstelsel waaraan een hoge archeologische verwachting voor de periode Vroege IJzertijd en de Romeinse tijd is toegekend. Op basis van de bureaustudie kon niet worden uitgesloten dat deze stroomruggen nog doorlopen tot in het plangebied. In dat geval worden ook sporen van bewoning uit de Vroege IJzertijd en/of de Romeinse tijd verwacht. Tevens werd er rekening gehouden met enige mate van verstoring als gevolg van de huidige bebouwing. Om de bovenstaande gespecificeerde verwachting te toetsen heeft in juli 2008 een karterend booronderzoek plaatsgevonden. Op basis van de resultaten van het karterend onderzoek konden de vooraf gestelde onderzoeksvragen als volgt worden beantwoord: 1. Wat is de bodemopbouw van het plangebied? De bodemopbouw kenmerkt zich globaal gezien door een 40 à 195 cm dik pakket zwak tot sterk zandige klei en/of fijn zand. Hieronder bevindt zich een pakket veelal grof, maar plaatselijk fijn tot matig fijn zand. Deze afzettingen komen overeen met oeverafzettingen en meer specifiek uiterwaardenafzettingen. De ondergrond bestaat uit (matig) fijn en veelal grof rivierzand dat kan worden gerekend tot stroomrugafzettingen, en meer specifiek beddingafzettingen. 2. Wat is de kwaliteit (gaafheid) van het bodemprofiel? Het bodemprofiel binnen het plangebied blijkt in diverse boringen tot voorbij de bouwvoor te zijn verstoord. Verder is de antropogene bodemverstoring beperkt gebleven tot de bouwvoor en de top van de onderliggende bodemhorizont; 30 à 70 cm - mv. Veelal bevinden zich hierin baksteen- en puinresten. Hiernaast lijkt er (plaatselijk) sprake te zijn van natuurlijke bodemerosie van de onderliggende rivierafzettingen. 3. Op welke diepte begint de intacte ondergrond? De intacte ondergrond, bevindt zich op een diepte van 30 à 70 cm - mv. 4. Zijn er in de ondergrond oudere stroomruggen aanwezig? De ondergrond bestaat uit veelal grof en soms fijn tot matig fijn rivierzand. Deze afzettingen kunnen worden gerekend tot stroomrugafzettingen, en meer specifiek beddingafzettingen. Of deze afzettingen behoren tot een oudere stroomrug is echter niet te zeggen. Hiervoor ontbreken diagnostische (archeologische) gegevens. 5. Zijn er binnen het plangebied archeologische sporen en/of vondsten (vindplaatsen) aanwezig? Neen, er zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van archeologische waarden in de ondergrond. De te verwachten archeologische waarden (uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd) werden verwacht in de bovenste lagen van het bodemprofiel, direct onder de bouwvoor (A-horizont). Dit pakket is vaak (deels) verstoord. Tevens zijn hier geen waarden aangetroffen met uitzondering van enkele houtskoolspikkels die vermoedelijk van recente datum zijn. De ondergrond bestaat (vermoedelijk) uit beddingafzettingen, waarvan de bovenkant veelal door natuurlijke oorzaken is geërodeerd. De kans dat binnen het plangebied dan ook (nog) intacte archeologische waarden aanwezig kunnen zijn wordt dan ook laag ingeschat. Door middel van het uitgevoerde booronderzoek is de aan- of afwezigheid van vindplaatsen in voldoende mate getoetst. Er zijn geen vindplaatsen aangetroffen, en het bodemprofiel is deels verstoord. Op grond van de resultaten van het veldonderzoek wordt een vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. Aanbevolen wordt dan ook om het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven de geplande ontwikkelingen doorgang te laten vinden.</p>
Authors
- P.C. Teekens ;
- A. Spoelstra
<p>In februari 2008 is in opdracht van dhr. Weidenaar door Ingenieursbureau Oranjewoud BV een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op twee locaties aan de Wjitteringswei te Aldeboarn, gemeente Boarnsterhim (Fryslân). De aanleiding voor dit archeologisch onderzoek is de toekomstige wijziging van het bestemmingsplan conform artikel 19 lid 1 wet WRO. In het plangebied zullen woningen worden gebouwd. Voorafgaand aan het inventariserend veldonderzoek is een bureauonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn eerder gerapporteerd (Archeologische rapporten Oranjewoud 2007/125; december 2007). In dit onderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied archeologische vindplaatsen vanaf de IJzertijd kunnen worden aangetroffen. Voor het inventariserend veldonderzoek zijn de verschillende onderzoeksvragen opgesteld: Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Op beide locaties bestaat de bovengrond uit een opgebracht pakket kleiig zand met puin aanwezig, met een gemiddelde dikte van circa 1,5 m. Het natuurlijke bodemprofiel bestaat uit een 2 m dik pakket mariene afzettingen bestaande uit zware klei met zandlaagjes en licht venige gedeelten. De top van dit kleipakket is licht humeus en bevat wat fosfaatvlekken, hetgeen te verwachten is gezien de vroegere functie van het gebied als weidegrond voor vee. De venige gedeelten zijn typerend voor afzettingen in de laagte van het rivierdal, waar van oudsher veel oevervegetatie aanwezig is. De zandlaagjes wijzen op korte perioden van sterke overstroming, terwijl de klei is afgezet in rustiger fasen. Onder het kleipakket bevindt zich een veenpakket. Bij de inbraak van de zee is waarschijnlijk de top van het veen geërodeerd. In slechts één boring is de veraarde top van het veen aangetroffen. In de diepere boringen is onder het veen Pleistoceen zand aangetroffen, zonder noemenswaardige welvingen. In het dekzand is geen bodemvorming (in het bijzonder podzolering) aangetroffen. Zijn er vindplaatsen aanwezig? In het booronderzoek zijn geen vindplaatsen aangetroffen. In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? In dit stadium van de planvorming ten aanzien van de nieuw te bouwen huizen is de precieze omvang en diepte van de verstoring nog niet duidelijk. Bij de gekozen veldwerkstrategie is uitgegaan van een maximale verstoringsdiepte van 2,0 m m -mv, hetgeen in de regel ruimschoots binnen de marge van woningbouw valt. Met het oog op eventuele heiwerkzaamheden is ook de diepe ondergrond onderzocht, teneinde de diepte en het reliëf van het dekzand vast te stellen. Het grootste gedeelte van de toekomstige verstoring beslaat de opgebrachte bovengrond, waarin met zekerheid geen vindplaatsen aanwezig zijn. Op beide locaties zijn respectievelijk 6 en 7 boringen verricht, hetgeen per deellocatie neerkomt op een dichtheid van 24 boringen per hectare. In de natuurlijke bodem zijn geen vindplaatsen aangetroffen. Met deze dichtheid van de boringen en de vastgestelde afwezigheid van vindplaatsen wordt de kans op de aanwezigheid van onopgemerkte vindplaatsen gering geschat. Hoe kan de verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? Indien de verstoring zich ondieper dan 1,5 m -mv uitstrekt worden er geen archeologische waarden bedreigd. Indien de verstoring dieper reikt dan 1,5 m bestaat een geringe kans dat tijdens de graafwerkzaamheden toch nog onverwachtse vondsten worden aangetroffen, die tijdens het onderhavige veldonderzoek zijn gemist. Naar aanleiding van de resultaten van het uitgevoerde veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat in het plangebied geen vindplaatsen aanwezig zijn die bij de geplande graafwerkzaamheden worden bedreigd. Hierdoor wordt geen verder vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.</p>
Authors
- A.M Bakker ;
- A. Spoelstra
<p>In mei en juli van 2009 is door Oranjewoud bv een bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de geplande aanleg van 3 rotondes in de gemeente Putten. Hiertoe zijn de reeds bekende aardkundige-, historische- en archeologische gegevens bestudeerd, met als doel het opstellen van een gespecificeerd verwachtingsmodel. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat de plangebieden op of nabij de gordeldekzandruggen liggen die de stuwwal van Garderen aan de zuidwestzijde flankeren. Dit gebied bestaat uit dekzandruggen, doorsneden door beekdalen en droge dalen. Het gebied kent een zeer lange bewoningsgeschiedenis. Uit de reeds bekende archeologische waarnemingen blijkt dat in de directe omgeving van de plangebieden intacte vindplaatsen voorkomen. Het betreft zowel nederzettingen als vondsten die samenhangen met het grafritueel. Op de dekzandruggen nabij de plangebieden liggen esdekken. Deellocatie Oude Rijksweg - Van Geenstraat ligt in de voormalige Putter Eng. De overige twee deellocaties liggen in een voormalig heidegebied. Hier is het ontginningsdek dunner. Alle plangebieden kennen zowel een hoge als een brede archeologische verwachting: er kan een breed scala aan vindplaatsen worden verwacht uit vrijwel alle archeologische perioden. Bovendien kunnen er vindplaatsen aanwezig zijn uit perioden waarin een kennislacune bestaat, zoals de vroege middeleeuwen. De kans op verstoringen is evenwel groot, omdat de plangebieden zich binnen bestaande wegcunnetten bevinden. Desondanks blijkt uit de reeds bekende waarnemingen dat er toch nog intacte structuren en vondsten aanwezig kunnen zijn. Dit is met name het geval op locatie Oude Rijksweg - Van Geenstraat. Mogelijk is het esdek van de Putter Eng ter plaatse nog intact. Indien dit het geval is kunnen er ook vindplaatsen worden aangetroffen. Locatie Oude Rijksweg - Van Geenstraat Deze deellocatie ligt in de voormalige Putter Eng. Ondanks de verstoringen als gevolg van de huidige bebouwing is in de nabije omgeving een intacte structuur aangetroffen (boomstamput). Aangenomen kan worden dat er -indien het esdek intact is- nog meer vindplaatsen kunnen worden aangetroffen. De dikte- en mate van intactheid van esdek is door middel van een bureauonderzoek niet tot in het gewenste detail vast te stellen. Geadviseerd wordt dan ook in de zone van de toekomstige rotonde een inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uit te voeren. Het doel van een dergelijk onderzoek is het vaststellen van een intact bodemprofiel en het onderscheiden van kansarme- en kansrijke zones ten aanzien van archeologische vindplaatsen. Per kansrijke en kansarme zone wordt vervolgens advies uitgebracht over een eventueel vervolgonderzoek en/of planaanpassing. Het verkennend veldonderzoek kan worden uitgevoerd door middel van boringen, eventueel in combinatie met het milieukundig booronderzoek. Uitgegaan wordt van een dichtheid van 6 boringen per hectare in een gelijkmatig grid, met een ondergrens van 6 boringen indien het plangebied kleiner is dan 1 hectare. Indien een intact esdek aanwezig is wordt in ieder geval geadviseerd dat de verstorende bodemingrepen tot minimaal 30 cm boven de natuurlijke ondergrond blijft. Locaties Voorthuizerstraat- Beulekampersteeg en Veldwijkweg-Veenhuizerveldweg Deze locaties liggen in een voormalig heidegebied. Het ontginningsdek is hier dunner dan in de enkeerdgronden. De archeologische resten liggen hier minder diep en zijn zeer waarschijnlijk verstoord bij het aanleggen van de huidige infrastructuur. De verwachting is hier laag en er wordt geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Op basis van het bureauonderzoek is geadviseerd eerst een verkennend booronderzoek uit te voeren in het plangebied Oude Rijksweg - Van Geenstraat om te bepalen of in het plangebied nog een (deels) intacte esdek ligt en om de gaafheid van de bodem te bepalen. Tijdens het verkennend booronderzoek zijn 7 boringen in het plangebied gezet. De bodem in het plangebied bestaat uit een bouwvoor/verstoorde laag in dekzand. De bodem in het plangebied is verstoord tot in de C-horizont van het dekzand. In de boringen is geen (deels) intact plaggendek en podzolbodem aangetroffen. Daarnaast zijn er geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een archeologische vindplaats. Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden wordt ten aanzien van de plangebieden geen vervolgonderzoek aanbevolen en is er vanuit archeologisch oogpunt geen belemmering voor de aanleg van de rotondes.</p>
Authors
- P. Teekens ;
- A. Spoelstra ;
- A.M. Bakker
<p>In opdracht van de gemeente Oosterhout heeft Ingenieursbureau Oranjewoud een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Sterrenlaan-Hoofseweg. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de voorgenomen omvorming van de huidige T-splitsing tussen beide wegen naar een rotonde. Hierbij komen de contouren van de rotonde grotendeels overeen met de huidige inrichting van de T-splitsing. Het plangebied ligt in het noordelijk gedeelte van de bebouwde kom van Oosterhout. Het ligt in de overgangszone tussen het noordelijk gelegen beemdenlandschap (nat) en de zuidelijk gelegen hogere dekzandgebied. Aan de westzijde is een historisch bekend kasteelterrein aanwezig. Dit kasteelterrein betreft het Huis Strijen waarvan de stichting teruggaat tot op het einde van de dertiende eeuw. Het gebouwencomplex is daarna in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw als geheel buiten gebruik geraakt. Historisch is bekend dat aan de oostzijde van het kasteelterrein een noord-zuid lopende landroute heeft bestaan, waarvan de huidige Hoofseweg een latere variant is. Tijdens een archeologisch onderzoek werd een oudere fase van deze Hoofseweg daadwerkelijk aangetroffen in het profiel van een proefsleuf. Het tracé van deze fase is gelegen tussen het kasteelterrein en de huidige Hoofseweg. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek kon niet worden uitgesloten dat als gevolg van de St. Elisabethsvloed er ook kleiafzetting in het plangebied zou hebben plaats gevonden. Het archeologisch booronderzoek heeft de ligging in de hiervoor genoemde overgangszone bevestigd maar van een kleidek bleek geen sprake. evenmin werd een oudere fase van de Hoofsweg herkent in de boringen. De bodemopbouw bleek te bestaan uit een AC-profiel waarbij in beide boringen een geroerde laag werd aangetroffen. Deze geroerde laag lag op het diepste punt op 0,75 meter min maaiveld en werd naar het westen toe minder dik. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek en booronderzoek is derhalve geadviseerd de archeologische verwachtingswaarde voor het plangebied aan de Sterrenlaan-Hoofseweg naar laag bij te stellen.</p>
Authors
- H. Koopmanschap ;
- A. Spoelstra