Published on 25 September 2021 |
Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek Archeologie Plangebied Nabij Stationsweg oost 202 te Woudenberg, gemeente Woudenberg
View DatasetDescription
<p>Hamaland Advies heeft in opdracht van Vitens N.V. een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied, gelegen nabij Stationsweg oost 202 te Woudenberg, gemeente Woudenberg. De ontwikkeling behelst een lijnelement. Het betreft de aanleg van een injectieleiding bij de ‘Pb Woudenberg’ met een lengte van ca. 230 m. De breedte van het cunet waarin de leiding zal worden gelegd, is 0,50 m en de diepte van de verstoring 1,00 m-mv. Het totale plangebied is daarmee 115 m² groot. De toekomstige gebruiker is Vitens N.V. </p><p>Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Woudenberg ligt het plangebied van noord naar zuid in drie zones: AWG3 (cultuurhistorische elementen), AWV1 (hoge verwachting), AWV3 (lage verwachting). Vanwege de ligging in meerdere zones, geldt de hoogste waarde als vrijstellingswaarde, voor archeologisch onderzoek. De gemeentelijke eis is om archeologisch onderzoek uit te voeren bij plangebieden groter dan 100 m² en bodemingrepen dieper dan 40 cm-mv. Vanwege de overschrijding van de vrijstellingsgrens is door Hamaland Advies een KNA conform bureauonderzoek aangevuld met een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Voor het uit te voeren veldwerk in het onderzoeksgebied is een Plan van Aanpak opgesteld dat vooraf geaccordeerd is door de gemeente en de ODRU. </p><p>Conclusie <br>Op grond van het uitgevoerde bureauonderzoek kunnen de vragen uit hoofdstuk 1.2 als volgt worden beantwoord: </p><p>• Wat is de bodemopbouw en de vermoedelijke intactheid van het bodemprofiel binnen het plangebied? <br>Er wordt onder de bouwvoor een eerdlaag tot 1 m-mv verwacht. Hieronder is het fijne siltige dekzand van de Formatie van Boxtel aanwezig. Door agrarische bewerking, het graven van verkavelingsloten en de inrichting van het terrein als rozenkwekerij in het laatste kwart van de 20e eeuw, is de bodem vermoedelijk tot een diepte verstoord geraakt van 50-100 cm-mv. </p><p>• Kunnen er archeologische vindplaatsen in het onderzoeksgebied aanwezig zijn?<br>Ja. Bewoningsresten uit de prehistorie bevinden zich mogelijk in de top van het dekzand. Direct onder de bouwvoor in de mogelijk nog aanwezige eerdlaag kunnen zich sporen uit de Middeleeuwen of de Nieuwe Tijd bevinden. Daarnaast geldt er een verhoogde trefkans op restanten uit de Tweede Wereldoorlog zoals schuttersputten, munitiedumps en afvaldumps. </p><p>• Is aanvullend veldonderzoek door middel van boringen en/of proefsleuvenonderzoek noodzakelijk? <br>Ja. De injectieleiding zal een verstoring geven tot 1,00 m-mv en daarmee de top van het dekzand en de bovenliggende sedimenten en de bouwvoor verstoren. Een inventariserend bodemonderzoek (verkennende fase) is noodzakelijk om de mate van intactheid van de bodem en de bodemsamenstelling te toetsen. </p><p>• Wat is de bodemopbouw en de vermoedelijke intactheid van het bodemprofiel binnen het plangebied? <br>De bodemopbouw in het plangebied is grotendeels verstoord tot in de C-horizont. Daar waar sprake is van een intacte bodem is een afgetopte eerdlaag aangetroffen die scherp overgaat in het onderliggende dekzand. In de eerdlaag is zilverpapier aangetroffen, wat erop duidt dat de eerdlaag vermoedelijk van subrecente datum is. </p><p>• Zijn binnen het plangebied archeologisch relevante afzettingen, zoals oude bodems, enz., aanwezig? Zo ja, op welke diept ten opzichte van het maaiveld en NAP? Wat is de dikte en aard van deze afzettingen? <br>Ja, binnen het plangebied is in twee boringen (boring 2 en 5) een oudere A2-horizont aangetroffen in de vorm van een oorspronkelijke plaggendek. Deze laag is circa 20 cm dik. In deze lagen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen waardoor niet exact bepaald kan worden wanneer het plaggendek is ontstaan. </p><p>• In hoeverre worden archeologisch kansrijke bodemlagen bedreigd door de toekomstige planontwikkeling? <br>Op grond van het feit dat de aanwezige gooreerdgronden onder relatief natte omstandigheden zijn gevormd en het ontbreken archeologisch relevante niveaus en relevante archeologisch indicatoren wordt de kans klein geacht dat archeologische vindplaatsen worden bedreigd door de aanleg van de injectieleiding. </p><p>• Is aanvullend veldonderzoek door middel van karterende boringen en/of <br>proefsleuvenonderzoek/archeologische begeleiding noodzakelijk? <br>Nee, er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vanwege het grotendeels ontbreken van een intacte bodemopbouw en het geheel ontbreken van archeologische indicatoren. Daar waar een intacte bodem is aangetroffen is deze onder dergelijk natte omstandigheden ontstaan dat permanente bewoning in het verleden onwaarschijnlijk moet worden geacht. </p><p>Selectieadvies <br>Hamaland Advies adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Vanwege het grotendeels ontbreken van een intacte bodemopbouw en het geheel ontbreken van archeologische indicatoren wordt de trefkans op een archeologische vindplaats als zeer klein ingeschat. Daar waar een intacte bodem is aangetroffen, is deze bovendien onder dergelijk natte omstandigheden ontstaan, dat permanente bewoning onwaarschijnlijk moet worden geacht. </p><p>Selctiebesluit <br>De resultaten van het bureauonderzoek zijn op 10 januari 2018 getoetst door mw. drs. L. Bruning van de ODRU (Omgevingsdienst regio Utrecht). De opmerkingen zijn verwerkt in de onderliggende definitieve rapportage van het bureauonderzoek welke aangevuld is met de resultaten van het booronderzoek. </p><p>De resultaten uit het bureauonderzoek én het booronderzoek zijn 7 februari 2018 beoordeeld door mevrouw L. Bruning van de ODRU (Omgevingsdienst regio Utrecht). Mevrouw Bruning gaat akkoord met de aanbevelingen in dit rapport. Er wordt géén archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. De geplande werkzaamheden leiden niet tot de aantasting van archeologische niveaus. En er zijn geen indicaties dat er in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn of worden verwacht. Mevrouw L. Bruning van de ODRU (Omgevingsdienst regio Utrecht) adviseert de gemeente Woudenberg om met dit advies in te stemmen.</p><p>Voorbehoud <br>Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen.</p><p>Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: ‘Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister’. Deze aangifte dient te gebeuren bij de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Woudenberg (dhr. Kamies).</p>
Citations (0)
No citations found
Mentions (0)
No mentions found
Metrics Over Time
Publication Details
Subfield
Immunology
Field
Immunology and Microbiology
Domain
Life Sciences
Confidence Score
47%
Source
Scholar Data Model