Description
<p>In opdracht van Rijkswaterstaat Zuid-Holland heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in samenwerking met dhr. P.C. Vos van TNO-BenO in maart en april 2006 een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkenning) uitgevoerd in verband met voorgenomen bodemingrepen in de gemeenten Schipluiden, Schiedam en Vlaardingen. Het bureauonderzoek, uitgevoerd in het kader van de m.e.r.-procedure (fase 2), betreft een actualisering van het reeds eerder voor de A4 uitgevoerde bureauonderzoek (Scholte Lubberink e.a., 1995). Doel van het bureau- en inventariserend veldonderzoek was het aangeven van archeologische verwachtings- zones binnen de door Rijkswaterstaat aangegeven ontwerpgrenzen en eventueel het in kaart brengen van archeologische waarden. Op basis van het bureauonderzoek zijn onderzoeksvragen opgesteld voor het veldonderzoek (Plan van Aanpak). Vervolgens is in delen van het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. TNO-BenO heeft voor de verschillende laagcomplexen in het onderzoeksgebied een nieuwe stratigrafische indeling gemaakt. Op basis van de resultaten van het bureau- en verkennend veldonderzoek is per laagcomplex een archeologische verwachting opgesteld. In het plangebied worden binnen de maximale verstoringsdiepte vindplaatsen verwacht uit de Steentijd (SLC en DLC), de IJzertijd (HVL), de Romeinse tijd (GZL), de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd (HPL). Verder is gekeken naar de effecten van het aanwezige zandlichaam op de bodemopbouw. Het blijkt dat in grote delen van het onderzoeksgebied het bodemprofiel onder het huidige talud nog intact is. Wel heeft als gevolg van het aanbrengen van het talud een bodemdaling van het oorspronkelijke maaiveld van meer dan 1 m plaatsgevonden. In hoeverre dit nadelige gevolgen heeft gehad op de informatiewaarde van eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen is niet bekend. Aangenomen kan worden dat dergelijke effecten met name in de bovenste archeologische niveaus optreden. In het kader van de m.e.r.-procedure is per aanlegvariant (5) gekeken naar de voorgenomen bodemingrepen. In dit stadium is het nog niet mogelijk om voor het gehele tracé aan te geven waar en welke archeologisch interessante niveaus aanwezig zijn. Hierdoor is het logischerwijs ook niet mogelijk om aan te geven waar binnen het plangebied per archeologische laag, archeologische vindplaatsen zullen worden verstoord en in welke hoeveelheden. Wel kan worden gesteld dat vergraving het meest schadelijke effect is voor eventueel aanwezige vindplaatsen. Tevens is dit het enige goed meetbare effect. Dit houdt in dat hoe dieper de ingrepen reiken, hoe meer archeologisch interessante niveaus naar verwachting worden verstoord. De aanlegvariant waarbij het kleinste aantal archeologisch interessante niveaus wordt verstoord, is de meest gunstige. De belangrijkste te treffen maatregel is daarmee het beperken van de ingreepdiepte. Allereerst kan uit de tabellen worden afgeleid dat de aanleg van het tracé binnen het bestaande talud het meest gunstig is. Bij aanleg van het tracé binnen het bestaande talud zijn de varianten A en E het meest gunstig, variant B is het minst gunstig. De varianten C en D scoren gelijk. Bij aanleg van het tracé buiten het bestaande talud zijn de varianten A en E eveneens het meest gunstig en B het minst gunstig. Ook in dit geval scoren de varianten C en D gelijk. Indien varianten gelijk scoren op het totaal aantal verstoorde archeologisch interessante niveaus, kan aanvullend worden gekeken of er verschillen bestaan in het aantal bedreigde archeologisch interessante niveaus van een goede fysieke kwaliteit en/of wetenschappelijke waarde. Voor het plangebied wordt aangenomen dat archeologische vindplaatsen uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen vanwege hun ligging aan of direct onder het maaiveld een mindere fysieke kwaliteit hebben dan vindplaatsen op dieper gelegen niveaus. Voor het Hollands veen- en kleigebied is aangegeven voor welke archeologische perioden sprake is van kennis en kennislacunes (Lauwerier e.a., 2002). Hieruit blijkt dat voor alle in het plangebied te verwachten archeologische perioden sprake is van een kennislacune, hetgeen betekent dat deze interessant zijn voor archeologisch onderzoek. Op beide bovenstaande punten blijkt geen nader onderscheid tussen de gelijkscorende varianten mogelijk. Voor het onderzoeksgebied zijn allereerst algemene aanbevelingen opgesteld. Vanuit behoudsoogpunt verdient het de voorkeur om bij de uiteindelijke aanleg van de A4 zoveel mogelijk binnen het huidige talud te blijven. Dit deel is als gevolg van de reeds opgetreden gronddeformaties, voor wat betreft de bovenste archeologische niveaus, al aangetast. Onafhankelijk van de uiteindelijk gekozen aanlegvariant dient gestreefd te worden naar zo min mogelijk aanpassingen van het huidige grondwaterregime. Met name grotere fluctuaties en verlagingen van het grondwaterpijl kunnen ernstige schade aan de archeologische resten toebrengen (Heeringen en Theunissen, 2002). Het effect van een tijdelijke verlaging op de aanwezige archeologische resten is niet bekend. Aangenomen kan worden dat dit leidt tot enige schade aan de archeologische resten. Vervolgens zijn aanbevelingen gegeven in het kader van de normaliter te volgen AMZ-cyclus. Het betreft algemene aanbevelingen voor het gehele onderzoeksgebied en aanbevelingen per archeologisch interessant niveau. Hierbij is aangegeven wat de eerste fase van vervolgonderzoek is. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek kunnen hierop aanbevelingen volgen voor verder vervolgonderzoek. Opgemerkt wordt dat eveneens gekozen kan worden voor het opstellen van een wetenschappelijk kader voor het onderzoeksgebied. Het wetenschappelijke onderzoekskader kan vervolgens worden gebruikt als leidraad voor het opstellen van meer specifieke aanbevelingen voor vervolgonderzoek in het onderzoeksgebied. Dit kan betekenen dat keuzes worden gemaakt naar bewoningsperioden of type, vindplaatsen en welke methoden daarbij worden gehanteerd. Met andere, woorden: dit kan betekenen dat bepaalde bewoningsperioden en/of bepaalde, type vindplaatsen minder intensief of niet hoeven te worden onderzocht. Het is, gewenst om het wetenschappelijke kader op te stellen in overleg met het, bevoegd gezag (gemeentelijk niveau en rijksniveau)., Het wetenschappelijke kader kan door een archeologisch adviesbureau worden, opgesteld aan de hand van onderzoeksthema’s die per bewoningsperiode beschreven, zijn in de Nationale Onderzoeksagenda (NOA) en het regionaal onderzoekskader, (Bult e.a., 2002: AHR-onderzoekskader). Als aanvulling hierop kunnen de resultaten, van onderhavig onderzoek worden gebruikt. RAAP Archeologisch Adviesbureau, heeft in het rapport een aantal onderzoeksthema’s uitgewerkt, die gebruikt kunnen, worden bij het opstellen van een wetenschappelijk kader.</p>
Citations (0)
No citations found
Mentions (0)
No mentions found
Metrics Over Time
Publication Details
Subfield
Immunology
Field
Immunology and Microbiology
Domain
Life Sciences
Confidence Score
45%
Source
Scholar Data Model